Iets met zoiets
Er wordt nogal eens gemopperd op ambtelijk taalgebruik. Dat het vaak zoiets is als ondoordringbaar en vaag. Niet voor niets is ooit de campagne ‘durf duidelijke taal te vragen’ gelanceerd. Maar ja: de ambtenarij heeft allang haar monopolie op onduidelijke taal verloren. Iedereen kan er tegenwoordig mee aan de haal. Wie had zoiets kunnen denken?
Mijn leraar Frans op de middelbare school was altijd buitengewoon stellig en duidelijk. Als iemand uit de klas een stukje Franse tekst moest vertalen, eindigde dat meestal met een bezweet voorhoofd en ‘of zoiets’. “Niet of zoiets!” riep hij dan luid, “waar staat dan ‘of zoiets’?” Je moest het gewoon goed doen of fout doen.
Onduidelijke taal en vage bewoordingen dienen om eronderuit te kunnen komen. We bouwen een marge in. We zijn onzeker over wat we weten en kunnen verantwoorden. Dus dekken we ons in. Tegen het Grotere Gelijk van de leraar Frans of wie dan ook kunnen we dan zeggen: ik zei toch ‘of zoiets’? Meer en meer varen we op minder. Zoiets is minder dan niets, want niets zegt meer dan zoiets. Bijvoorbeeld: ‘ik heb niets met zoiets’ is duidelijker dan ‘ik heb zoiets van niets’
Zet de TV aan, hoor het op straat, of vang het op in de wandelgangen. Iedereen ‘heeft zoiets van’. Meestal wordt dat onduidelijke statement ‘kracht’ bijgezet door een al even onduidelijke lichaamsbeweging ergens rond hoofd en schouders. Het zoietsisme. “Ik heb zoiets van dat dat niet langer zo kan doorgaan.” Klinkt niet alsof iets acuut moet stoppen. En zo is het steeds met zoiets. Elke keer als ik ‘of zoiets’ of ‘ik heb zoiets van’ hoor of lees, dan heb ik zoiets van dat zoiets acuut moet stoppen. Of zoiets.
|